Twee perpectieven op het menselijk lichaam:
De Franse filosoof Merleau-Ponty (1908-1961) was een tijdgenoot van de veel bekendere Jean-Paul Sartre- alvorens te breken na een meningsverschil, gaven ze samen het tijdschrift Les Temps Modernes uit- en studeerde filosofie aan de Ecole Normale Supérieure in het Quartier Latin van Parijs. Aanvankelijk was hij wetenschappelijk medewerker en doceerde hij filosofie op middelbare scholen. In 1949 werd Merleau-Ponty hoogleraar filosofie aan de universiteit van Lyon. Vervolgens vertrok hij naar Parijs waar hij een positie als hoogleraar psychologie en pedagogiek aan de Sorbonne bemachtigde. In 1952 kreeg hij zijn aanstelling aan het Collège de France, die hij tot het eind van zijn leven zou behouden. Zijn eerste werk publiceerde hij in 1942, La Structure du comportement, wat in 1946 gevolgd werd door Phénoménologie de la perception.
Tijdens de vroege jaren van zijn carrière richtte Merleau-Ponty zich vooral op het functioneren van het menselijk lichaam. Het gedachtegoed van Merleau-Ponty kan worden gekaderd binnen de fenomenologie. De fenomenologie is een beweging binnen de filosofie die eind 19e eeuw een aanvang nam met Husserl (1859-1938) en die als doel had de werkelijkheid te beschrijven zoals we die ervaren, los van theorieën of vooroordelen (Aydin, 2007). De centrale vraag die de filosofie zich moet stellen is volgens Husserl: ‘Hoe verschijnt de wereld aan het menselijke bewustzijn?’ De vraag of er buiten het bewustzijn een wereld bestaat is in dat verband irrelevant. Voor Husserl gaat het puur om de inhoud van het bewustzijn, ‘wat gebeurt er in ons’? Alhoewel Merleau-Ponty Husserl’s uitgangspunt overnam, dat het individu voordurend op de wereld om zich heen gericht is (‘intentionaliteit’), richtte hij zich niet op het bewustzijn maar op het menselijk lichaam en de relatie tussen het lichaam en de wereld eromheen.
In Phénoménologie de la perception wat geldt als zijn opus magnum, stelde Merleau-Ponty dat het menselijk lichaam niet te classificeren is als een ‘ding onder de dingen om ons heen’, maar in een bijzondere positie verkeert doordat het een ‘ding’ is dat we zelf zijn. Merleau-Ponty sprak over het lichaam als subject of het doorleefde lichaam, respectievelijk ‘corps sujet’ en ‘corps vecu’. Daarmee hief hij de klassieke (cartesiaanse) scheiding tussen lichaam en geest op, aangezien de geest nauw verweven is met het lichaam. Het lichaam-subject is geen ding op zich, maar onderhoudt een nauwe relatie met de wereld om zich heen. Die leefwereld is geen chaos, maar draagt het karakter van een zinsgeheel (Kwant, 2008), oftewel: de personen en objecten rond het individu hebben betekenis. De mobiele telefoon bijvoorbeeld is geen plat doosje, maar een middel om mee te communiceren, een fiets is geen stalen frame met wielen, maar is er om je te verplaatsen. Al deze verhoudingen tussen het individu en zijn omgeving zijn eerst en vooral lichamelijk. Je denkt immers niet na bij het gebruik van een telefoon of fiets. Analoog hieraan wordt een vriend of kennis bij wijze van automatisme gelijk herkend, zonder daarover na te denken. Betekenissen worden met andere woorden door het lichaam onthouden: beklijven. Het gaat om kennis in het lichaam.
Het lichaam-subject moet onderscheiden worden van het lichaam als object. Het lichaam-object verwijst naar het lichaam als pure materie, zoals afzonderlijke organen of contouren op een röntgenfoto. Het lichaam-object is uitdrukbaar in maat en getal en is als zodanig ook voorspelbaar. De kennis van het lichaam-object is het produkt van onze wetenschap. Het lichaam-object is tevens het ‘lijdend voorwerp’ van onze technologie, die erop gericht is het lichaam-object te manipuleren.
Het geval Schneider
Merleau-Ponty illustreerde zijn theorie van het menselijk lichaam aan de hand van casus- beschrijvingen uit de medische literatuur. Het meest bekende voorbeeld dat hij aanhaalde was dat van de soldaat Schneider, die in 1915 ernstige verwondingen aan het brein had opgelopen naar aanleiding van een granaatverwonding (Goldstein & Gelb, 1918).
Schneider leed aan een merkwaardig syndroom, gekenmerkt door uitgebreide cognitieve stoornissen, met name in de visuele perceptie. Schneider was enkel met grote moeite in staat om geschreven taal, cijfers of afbeeldingen juist te benoemen. Dat kwam niet zozeer door een stoornis in de visuele perceptie of een taalprobleem - Schneider was immers noch blind, noch afatisch -, maar hij kon visuele stimuli simpelweg niet herkennen. Alvorens hij zich bewust werd van wat hij zag moest Schneider eerst uitgebreid ‘puzzelen’. Beelden die slechts kort getoond werden werden steevast niet herkend: een eend benoemde hij bijvoorbeeld als ‘een zwarte punt’; een rijtje bloempotten benoemde hij als ‘een muur’. Daarnaast had Schneider een ‘truc’ nodig om schrift, cijfers of afbeeldingen te herkennen, namelijk door met het hoofd en de rechter wijsvinger schrijvende bewegingen te maken: “de patiënt moest bij alles wat hij las tegelijkertijd meeschrijven, waarbij hij de letters op eigenaardige wijze natekende”. Wanneer het Schneider ommogelijk gemaakt werd mee te bewegen met armen of hoofd, kon hij niets herkennen. Schneider werd beschouwd als een eerste, goed gedocumenteerd geval van apperceptieve agnosie (‘Seelenblindheit’). Patiënten met een apperceptieve agnosie zijn niet instaat om aangeboden visuele informatie om te vormen tot een mentale representatie, die herkend wordt. Ze kunnen bijgevolg tekeningen niet kopiëren, vergelijken met andere tekeningen of identificeren.
Volgens Merleau-Ponty was het bijzondere van Schneider dat hij zich enkel nog kan redden dankzij zijn lichaam dat als een subject handelde. De kenverhouding tussen zijn rationele denken en de wereld om hem heen was immers ernstig verstoord. Gelukkig verhield Schneider’s lichaam zich nog steeds op adequate wijze tot de personen en objecten om het lichaam heen. Dat verklaarde waarom Schneider in staat bleef allerlei dagelijkse activiteiten zoals zijn werk, uit te voeren alsof er niets aan de hand was. Wanneer hij sprak over die uitvoer, maakte Merleau-Ponty een onderscheid tussen concreet en abstract gedrag. Concreet gedrag vindt plaats in concrete alledaagse situaties, waar het lichaam aan gewend is. Daar was Schneider nog prima toe in staat. Abstract gedrag daarentegen vindt plaats in kunstmatige (test-) situaties. Schneider was alleen nog maar in staat tot concreet gedrag. Bij abstracte taken- Merleau-Ponty noemt als voorbeeld het aantikken van de neuspunt met een lineaal, een zinloze aktie – sloeg Schneider immers ‘de plank mis’. Voor Merleau-Ponty was Schneider het levende bewijs dat kennis eerst en vooral in het lichaam zit, pre-reflectieve kennis. Hij zelf heeft Schneider echter nooit onderzocht en ging enkel uit van de eerdere beschrijvingen. Merleau-Ponty wist bij het schrijven van zijn boek waarschijnlijk niet dat Schneider een paar jaar daarvoor heronderzocht was en daarbij lelijk door de mand gevallen was: Schneider bleek een groot deel van zijn symptomen gefingeerd te hebben en had vooral gedaan wat de onderzoekers (Goldstein en Gelb) hem gevraagd hadden (Ter Meulen & Van Woerkom, 2010)
Implicaties voor de praktijk
Merleau-Ponty heeft in zijn Phénoménologie de la perception willen laten zien dat het menselijk lichaam, een bijzondere vorm van materie is, doordat het materie is die wij zelf zijn. Daarin onderscheid het menselijk lichaam zich van alle andere materie. Wanneer er iets mis is met het menselijk lichaam (in geval van ziekte), betreft het dus niet louter orgaanfalen (of om een bekende metafoor te gebruiken: ‘een kapotte machine’ of ‘computer’) maar tevens klachten binnen een persoonlijke context. Symptomen hebben met andere woorden niet alleen oorzaken, maar ook betekenis. Als arts of behandelaar zal je ten alle tijden op zoek moeten naar die betekenis: wat is de relatie tussen de symptomen en andere factoren, zoals het werk, een relatie, of het verleden?
Het lijkt een holistische ‘open deur’, toch is het er een die in de praktijk makkelijk voorbij gelopen wordt. De les van Merleau-Ponty is de patiënt altijd vanuit twee perspectieven te beschouwen: het materiële of onpersoonlijke (bijvoorbeeld afwijkingen op de scan) en het persoonlijke, wat maakt dat klachten eigen zijn aan een bepaalde persoon.
Literatuur
Aydin C. (2007).De vele gezichten van de fenomenologie. Kampen: Uitgeverij Klement.
Kwant, R. (2008). De fenomenologie van Merleau-Ponty. Houten: Uitgeverij Het Spectrum.
Goldstein, K., & Gelb, A. (1918). Psychologische Analysen hirnpathologischer Falle auf Grund von Untersuchungen Hirnverletzer. Zeitschrift fur die gesamte Neurologie und Psychiatrie, 41, 1– 142.
Ter Meulen BC, Van Woerkom TCAM. Visuele agnosie of ‘list en bedrog’? Het geval Schneider. Tijdschrift voor Neuropsychologie.



Merleau-Ponty